Het vernieuwde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (het burgerlijk procesrecht) is in 2002 in werking getreden, hetzelfde jaar als de EEX- en Insolventieverordening.
In het Nederlands procesrecht zijn het principe van hoor en wederhoor (fair trial) en het voorkomen van een verrassingsbeslissing door de rechter elementaire onderdelen. Partijen moeten rekening kunnen houden met een bepaald oordeel van de rechter. Partijen moeten hun zaak kunnen bepleiten en slechts in uitzonderlijke gevallen mag de rechter pleidooien weigeren.
Een ander belangrijk grondbeginsel is de motiveringseis. De beslissing van de rechter moet controleerbaar zijn. Er moet inzicht in zijn gedachtegang bestaan.
Het bewijsrecht vormt een apart onderdeel van het procesrecht. De algemene regel is, dat wie stelt, moet bewijzen (art. 150 Rv), maar het kan voorkomen, dat de rechter op grond van een vermoeden aanneemt, dat iemand aan deze bewijslast heeft voldaan en dan is het aan de ander om tegenbewijs te leveren. Ook kan er sprake zijn van een omkering van de bewijslast. Die situatie kan zich voordoen als een gebeurtenis heeft plaatsgevonden die logisch kan voortvloeien uit een zekere handeling. Het tegendeel moet dan worden bewezen.
De zgn. exhibitieplicht is in de nieuwe wet verder uitgewerkt. Een partij kan in beginsel inzage in bepaalde bescheiden in het bezit van de ander verlangen (art. 843a Rv), dit om zijn zaak beter te kunnen voordragen.
In Nederland kan het oordeel van de rechter in eerste aanleg onderworpen worden aan hoger beroep. De Hoge Raad is het hoogste rechtscollege. In deze instantie komen niet de feiten, maar rechtsvragen aan de orde.
Onderdeel van het procesrecht is verder het beslagrecht. Voordat er een definitief oordeel van de rechter beschikbaar is, kan de schadelijdende partij conservatoir beslag leggen. Nadat de rechter gunstig heeft beslist, kan dit beslag overgaan in een executoriaal beslag. Nederland is een beslagland bij uitstek. Het verlof wordt verleend door de zgn. Voorzieningenrechter en is op een relatief eenvoudige wijze te verkrijgen. Daartegenover staat, dat een te lichtvaardig beslag tot aansprakelijkheid van de beslaglegger kan leiden.
